λεώς -ώ, ὁ, ep., poët. en koinè λᾱός -οῦ, Ion. ληός -οῦ 1. (groep) mensen, menigte: τὰς στίχας ὁρᾷς τὰς τῶνδε τῶν λαῶν; zie je deze rijen mensen? Aristoph. Eq. 163; ἀκούετε λεῴ luister, mensen Aristoph. Pax 551; τὸν πολὺν ... λαῶν ὄχλον de grote menigte mensen Aristoph. Ran. 676; spec. voor ondergeschikten het gewone volk, knechten: λαοὶ ἀγροιῶται boerenvolk Il. 11.676; ὅτ’ ἀνὴρ ταύροιο βοὸς μεγάλοιο βοείην λαοῖσιν δώῃ wanneer een man een huid van een grote stier aan zijn knechten geeft Il. 17.390; onderdanen: τὸν λεὼν τετρυμένον ἐς τὸ ἔσχατον κακοῦ het volk dat in uiterste ellende was geraakt Hdt. 2.129.1. 2. milit. leger, manschappen, mannen, soldaten: λαὸν ἀγείρειν het leger verzamelen Il. 16.129; πολὺν ὤλεσα λαόν ik heb veel manschappen verloren Il. 2.115. 3. volk, stam: Λυδῶν λαὸς καὶ Φρυγῶν het volk der Lydiërs en Frygiërs Aeschl. Pers. 770; λαοί ἐγχώριοι lokale bevolking Aeschl. Suppl. 517; spec. NT het volk (van God): τὸν λαόν μου τὸν Ἰσραήλ Israël, mijn volk NT Mt. 2.6; λαβεῖν ἐξ ἐθνῶν λαὸν τῷ ὀνόματι αὐτοῦ uit de heidenen een volk in Zijn naam kiezen NT Act. Ap. 26.17.