βάκχος -ου, ὁ, lyr. Βακχεύς 1. als eigennaam (Βάκχος)Bacchus, benaming van Dionysus; meton. wijn. 2. bacchant (een volgeling van Dionysus): ναρθηκοφόροι μὲν πολλοί, βάκχοι δέ τε παῦροι er zijn veel thyrsusdragers, maar weinig bacchanten (spreekwoord, vgl. Ned. ‘velen worden geroepen, weinigen zijn uitverkoren’)Plat. Phaed. 69d.