δεδίττομαι, Ion. δεδίσσομαι, ep. δειδίσσομαι [~ δείδω (δέδοικα)] aor. ἐδεδιξάμην, ep. inf. δειδίξασθαι, ptc. δειδισάμενος; fut. δεδίξομαι, ep. inf. δειδίξεσθαι 1. met acc., causat. bang maken, angst aanjagen, verschrikken: μηδέ ... δειδίσσεο λαὸν Ἀχαιῶν jaag het krijgsvolk der Grieken geen angst aan Il. 4.184; Ἕκτορα ... ἀπὸ νεκροῦ δειδίξασθαι Hector doen terugdeinzen van het lijk Il. 18.164; τουτουσὶ δεδιξάμενος na hen angst te hebben aangejaagd Dem. 19.291; met inf.: φευγέμεν ἂψ ὀπίσω δειδίσσετο hij maakte ze bang zodat ze terugdeinzend wegvluchtten Theocr. 25.74; pass.: κακὸν ὣς δειδίσσεσθαι je als een lafaard bang te laten maken Il. 2.190. 2. intrans. bang zijn: καθάπερ ἱερεῖον ... δεδιττόμενον ἀπέσφαξαν ze slachtten hem als een offerdier zo bang af Plut. Dion 57.4.