φράττω, Ion. φράσσω, ook φράγνυμι, aor. ἔφραξα en ἔφαρξα, pass. ἐφράχθην en ἐφράγην; perf. med.-pass. πέφραγμαι en πέφαργμαι; fut. pass. φραγήσομαι 1. omheinen, versterken; ook med.: φράξαντο δὲ νῆας ἕρκεϊ χαλκείῳ zij omheinden hun schepen met een haag van brons Il. 15.566; ἐφράξαντο ὡς ἠδυνέατο ἄριστα τὸ τεῖχος zij versterkten de wal zo goed mogelijk Hdt. 9.70.1; ptc. perf. pass. πεφραγμένοςomheind, versterkt. 2. tegen elkaar aan zetten: φράξαντες δόρυ δουρί, σάκος σάκει met speer tegen speer, schild tegen schild gedrukt Il. 13.130; φράξαντες τὰ γέρρα na een haag gemaakt te hebben van hun schilden Hdt. 9.61.3. 3. blokkeren: φ. τὴν ὁδόν de weg blokkeren Hdt. 8.7.1; pass., overdr.: ἵνα πᾶν στόμα φραγῇ opdat iedere mond het zwijgen wordt opgelegd NT Rom. 3.19.