1 bronches, conduits de l’air dans les poumons, Hpc.Acut.386 ;Gal.7, 474 ||
2 cartilages du nez, Hpc.252, 51.
βρόγχιον -ου, τό, demin. van βρόγχος, pijpje, kanaal (waar lucht doorheen gaat), m.n. plur. van de vertakkingen van de luchtpijp: bronchiën; ook van de kanalen die van het zeefbeen (aangezichtsbot) naar de hersenen lopen.