ἐκ-πράττω, Ion. ἐκπρήσσω, andere dial. ἐκπράσσω, Ion. inf. aor. med. ἐκπρήξασθαι 1. tot stand brengen, met acc.: χρέος ἐ. dienst verrichten Aeschl. Suppl. 472; τὸν πόλεμον ἐ. de oorlog verklaren Plut. Ages. 28.6; met ὡς of ὥστε:χρόνῳ ποτ’ ἐξέπραξαν ὡς δοῦναι δίκην zij hebben bereikt dat zij uiteindelijk gestraft zullen worden Soph. Ant. 303. 2. beëindigen, doden: οὐ ... αὐτὸν ... κεραυνὸς ἐξέπραξεν hem heeft niet de bliksem gedood Soph. OC 1659. 3. (als betaling) invorderen, met acc.: αἵματος δίκην genoegdoening halen voor het bloedvergieten Eur. HF 43; met dubb. acc. iets van iem.: Ἁλικαρνασσέας τε πολλὰ χρήματα ἐξέπραξε hij vorderde veel geld in van Halicarnassus Thuc. 8.108.2; wraak nemen voor, wreken, met acc.: ᾧ τάδ’ ἐκπρᾶξαι μέλει (Apollo) die ervoor zorgt hiervoor wraak te nemen Soph. OT 377; ook med.: τὸν Δωριέος ... φόνον ἐκπρήξασθαι de moord op Dorieus wreken Hdt. 7.158.2.