χρήω
1. nodig hebben, verlangen,
2. met dat., van zaken of omstandigheden, alleen med.
a. gebruiken, zich bedienen van:
b. te maken hebben met:
3. met dat., van pers. omgaan met, contact hebben met,
4. met acc., van zaken lenen, voor praes. zie
a. act. lenen, uitlenen:
b. med. lenen, te leen krijgen:
2. χρήω, Ion. χράω, ep. ook χρείω [1. χρήω] 1 sing. χρῶ , 2 sing. χρῇς , Ion. χρᾷς , Dor. χρῆσθα , 3 sing. χρῇ , Ion. χρᾷ ; ep. ptc. m. χρείων , Ion. f. χρέωσα ; Ion. inf. χρᾶν ; imperf. Dor. 1 sing. ἔχρεον , 3 sing. ἔχρη ; aor. ἔχρησα , pass. ἐχρήσθη ; perf. κέχρηκα , ptc. med. κεχρημένος , pass. Ion. κεχρησμένος
1. act. een orakel geven:ὣς γάρ οἱ χρείων μυθήσατο Φοῖβος want zo had Phoebus hem in zijn orakel verteld Od. 8.79; met inf.: λέγεται ... τὸν Ἀπόλλω ταύτην τὴν γῆν χρῆσαι οἰκεῖν men vertelt dat Apollo in een orakel de raad heeft gegeven dat land te gaan bewonen Thuc. 2.102.5.
2. med. een orakel raadplegen:ψυχῇ χρησόμενος Τειρεσίαο om de ziel van Tiresias te raadplegen Od. 10.492; οἱ χρώμενοι degenen die het orakel raadplegen Eur. Phoen. 957.
3. pass. voorspeld worden door het orakel:τὰ χρησθέντα wat door het orakel is voorspeld Hdt. 7.178.2; τὸν κεχρησμένον θάνατον de voorspelde dood Hdt. 4.164.3; τίς οὖν ἐχρήσθη; wie werd dan door het orakel bedoeld? Eur. Ion 792.
1. act. een orakel geven:
2. med. een orakel raadplegen:
3. pass. voorspeld worden door het orakel: