About
Menu

χρήω

χρήω, Ion. χράω, χρείω en χρέω [χρή] praes. 2 sing. χρῇς, Dor. χρῆσθα, 3 sing. χρῇ; med. 1 sing. χρῶμαι, Ion. χρέομαι, 2 sing. χρῇ, 3 sing. χρῆται, Ion. χρᾶται en χρέεται, 1 plur. χρώμεθα, Ion. χρεώμεθα en χρεόμεθα, 2 plur. χρῆσθε, 3 plur. χρῶνται, Ion. χρέωνται en χρέονται, conj. 3 plur. χρείωνται, ptc. χρώμενος, Ion. χρεώμενος en χρεόμενος, inf. χρῆσθαι, Ion. χρᾶσθαι en χρέεσθαι, imperf. 1 sing. ἐχρώμην, 3 sing. ἐχρῆτο, Ion. ἐχρᾶτο, 3 plur. ἐχρῶντο, Ion. ἐχρέοντο; aor. ἔχρησα, med. ἐχρησάμην; perf. act. κέχρηκα, med. κέχρημαι; fut. χρήσω
1.  nodig hebben, verlangen, praes. alleen act. 2 en 3 sing.: χρῇ θανεῖν zij verlangt te sterven Soph. Ant. 887; σοὶ δὲ δρᾶν ἔξεσθ’ ἃ χρῇς u kunt doen wat u verlangt Soph. Ai. 1373; οὐ χρῆσθα; wil je niet? Aristoph. Ach. 778; perf. med. κέχρημαι behoefte hebben aan, met gen.: οὐ πόνων κεχρήμεθα wij hebben geen behoefte aan (meer) ellende Eur. Med. 334; spec. ptc. κεχρημένος behoeftig, arm.
2.  met dat., van zaken of omstandigheden, alleen med.
a.  gebruiken, zich bedienen van: ἐσθῆτι ... τοιῇδε χρέωνται zij gebruiken de volgende soort kleding Hdt. 1.195.1; φρεσὶ ... κέχρητ’ ἀγαθῇσι zij bezat een goed verstand Od. 3.266; perifr.: βοῇ χρᾶσθαι luid schreeuwen Hdt. 4.134.1; τῷ θυμῷ χρᾶται hij laat zijn woede de vrije loop Hdt. 1.137.1; ἀμαθίᾳ ... πρὸς τὰ ἔξω πράγματα χρῆσθε u heeft gebrek aan inzicht in buitenlandse zaken Thuc. 1.68.1; aor. pass. gebruikt worden: οὐκ ἐχρήσθησαν (de schepen) werden niet gebruikt Hdt. 7.144.2; abs. zich bezighouden met, gewoon zijn: χρῶνται Πέρσαι οὕτω dat zijn de Perzen gewoon Xen. Cyr. 4.3.23.
b.  te maken hebben met: νιφετῷ τὰ πάντα χρᾶται (het land) heeft overal te maken met sneeuwval Hdt. 4.50.2; πολλῇ ... εὐτυχίᾳ ἔοικα κεχρῆσθαι ik schijn het heel goed getroffen te hebben Plat. Men. 72a; ondervinden, ondergaan: ἑκὼν ... οὐδεὶς δουλίῳ χρῆται ζυγῷ niemand ondergaat vrijwillig het slavenjuk Aeschl. Ag. 953; τοιούτῳ μόρῳ ἐχρήσατο op deze manier vond het (kind) de dood Hdt. 1.117.5; ἐσόδῳ χρέο πυκνῶς maak vaak visites Hp. Dec. 13.

3.  met dat., van pers. omgaan met, contact hebben met, alleen med.: ἰητρῷ χρᾶσθαι een arts raadplegen Hp. Ars 5; δι’ ἀγγέλων πάντα χρᾶσθαι (sc. βασιλέι) dat men voor alle zaken via bodes contact moest hebben (met de koning) Hdt. 1.99; οἷς ἐχρῶ καὶ οἷς συνῆσθα met wie jij omging en verbonden was And. 1.49; subst.: οἱ χρώμενοι de vrienden Xen. Mem. 2.6.6; seks.: γυναικὶ χρῆσθαι gemeenschap hebben met een vrouw Hdt. 2.181.2; beschouwen als: ἐμοὶ χρᾶσθαι ὡς ἀνδρὶ ψεύστῃ mij als een leugenaar beschouwen Hdt. 7.209.5; ὡς φίλοις ... χρήσεσθαι αὐτοῖς hen als vrienden te zullen beschouwen Xen. Cyr. 4.2.8; behandelen: χρᾶσθαι αὐτῷ τοῦτο ὅ τι συ βούλεαι met hem doen wat u wilt Hdt. 1.210.3; οὐκ ἂν ἔχοις ... ὅτι χρῷο σαυτῷ jij zou niet weten wat je met jezelf moest aanvangen Plat. Crit. 45b.
4.  met acc., van zaken lenen, voor praes. zie κίχρημι en χρήννυμι.
a.  act. lenen, uitlenen: χρῆσόν τί νυν ἡμῖν ξυρόν leen me een scheermes Aristoph. Th. 219; οὐ δεδωκὼς ἀλλὰ χρήσας niet gegeven, maar uitgeleend hebbend Aristot. EN 1162b33.
b.  med. lenen, te leen krijgen: χρησάμενος ναῦς παρ’ αὐτοῦ nadat hij schepen van hem had geleend Plut. Ant. 55.2.
2. χρήω, Ion. χράω, ep. ook χρείω [1. χρήω] 1 sing. χρῶ, 2 sing. χρῇς, Ion. χρᾷς, Dor. χρῆσθα, 3 sing. χρῇ, Ion. χρᾷ; ep. ptc. m. χρείων, Ion. f. χρέωσα; Ion. inf. χρᾶν; imperf. Dor. 1 sing. ἔχρεον, 3 sing. ἔχρη; aor. ἔχρησα, pass. ἐχρήσθη; perf. κέχρηκα, ptc. med. κεχρημένος, pass. Ion. κεχρησμένος
1.  act. een orakel geven: ὣς γάρ οἱ χρείων μυθήσατο Φοῖβος want zo had Phoebus hem in zijn orakel verteld Od. 8.79; met inf.: λέγεται ... τὸν Ἀπόλλω ταύτην τὴν γῆν χρῆσαι οἰκεῖν men vertelt dat Apollo in een orakel de raad heeft gegeven dat land te gaan bewonen Thuc. 2.102.5.
2.  med. een orakel raadplegen: ψυχῇ χρησόμενος Τειρεσίαο om de ziel van Tiresias te raadplegen Od. 10.492; οἱ χρώμενοι degenen die het orakel raadplegen Eur. Phoen. 957.
3.  pass. voorspeld worden door het orakel: τὰ χρησθέντα wat door het orakel is voorspeld Hdt. 7.178.2; τὸν κεχρησμένον θάνατον de voorspelde dood Hdt. 4.164.3; τίς οὖν ἐχρήσθη; wie werd dan door het orakel bedoeld? Eur. Ion 792.

Saved

Recent