About Report a problem

Menu

μαλάττω

μαλάττω, Ion. en Dor. μαλάσσω [μαλακός]
1.  act.
a.  verzachten, zacht maken, van zaken: δέρμα μαλάσσει het verzacht de huid Hp. Aph. 5.22; van ijzer: ὥσπερ σίδηρον ἐμάλαξεν (dan) heeft hij (het gepassioneerde deel van zijn geest) zoals ijzer zacht gemaakt Plat. Resp. 411a.
b.  overdr. verzachten, temperen; van emoties: ὀργὰς μαλάσσουσ’ ἀνδρός door de woede van de man te temperen Eur. Alc. 771; van pers. mild stemmen, tot bedaren brengen: ἐὰν νυνὶ μαλάξῃς αὐτὸν ἐν τῇ προσβολῇ als je hem direct bij de confrontatie tot bedaren brengt Aristoph. Eq. 389.

2.  med.-pass. (met aor. pass. ἐμαλάχθη)
a.  van zaken zacht worden: ὁ σίδηρος ἐν τῷ πυρὶ μαλασσόμενος ijzer dat zacht wordt in het vuur Plut. Alc. 6.5; overdr. afzwakken: πυρετὸς ἐμαλάχθη de koorts zwakte af Hp. Epid. 3.3.17.
b.  van pers. week worden, mild gestemd worden, tot bedaren komen: μαλάσσου kom tot bedaren Soph. Ai. 594; τί τόδε ποτ’ ἔσθ’ ὅτῳ μαλάττομαι; wat is dit toch waardoor ik week word? Aristoph. Ve. 973; μαλασσόμενος ὑπὸ τῆς ἐλπίδος door de hoop mild gestemd Plut. Ant. 40.5; verlichting vinden van, met gen.: πρὶν ἂν ... νόσου μαλαχθῇς τῆσδε voordat je van deze ziekte verlichting zult hebben gevonden Soph. Ph. 1334.

Saved

Recent