περιττεύω, Ion. περισσεύω [περιττός] de gebruikelijke maat te boven gaan 1. intrans. a. in overvloed aanwezig zijn: τοσοῦτον τῷ Περικλεῖ ἐπερίσσευσε τότε ἀφ’ ὧν αὐτὸς προέγνω zo’n overvloed (aan overwegingen) had Pericles toenwaarop hij zijn voorspelling baseerde Thuc. 2.65.13; over zijn, resteren: τὸ περισσεῦον τῶν κλασμάτων het overschot aan stukken brood NT Mt. 14.20; med. meer dan genoeg hebben, met gen. περισσεύονται ἄρτων zij hebben brood in overvloed NT Luc. 15.17; toenemen: αἱ ἐκκλησίαι ἐπερίσσευον τῷ ἀριθμῷ καθ’ ἡμέραν de gemeenten namen dagelijks in aantal toe NT Act. Ap. 16.5. b. in aantal overtreffen; superieur zijn aan, met gen. περιττεύσουσιν ἡμῶν οἱ πολέμιοι de vijand zal ons de baas zijn Xen. An. 4.8.11. c. overbodig zijn: τὰ ... περισσεύοντα τῶν λόγων ἄφες laat overbodige woorden weg Soph. El. 1288. 2. NT, met acc. van zaak en dat. van pers. overvloedig voorzien van: ὑμᾶς ὁ κύριος περισσεύσαι τῇ ἀγάπῃ moge de Heer u met zijn liefde overstelpen NT 1 Thess. 3.12; pass.: δοθήσεται αὐτῷ καὶ περισσευθήσεται hem zal gegeven worden en hij zal overvloed kennen NT Mt. 13.12.