κατ-αράττω, Ion. καταράσσω 1. met acc. naar beneden smijten, verbrijzelen; ook overdr.: τὰ βουλεύματα κ. de plannen in het honderd laten lopen [Luc.] 58.38. 2. terugdrijven: τοὺς δὲ λοιποὺς κατήραξαν ... ἐς τὸν Κιθαιρῶνα zij drongen de overigen terug naar het Cithaeron-gebergte Hdt. 9.69.2; pass. teruggeslagen worden, zich terugtrekken: τὸ στράτευμα κατηράχθη εἰς τὰ τειχίσματα het leger werd teruggedreven binnen de verschansing Thuc. 7.6.3.