ἐγ-κλῄω, later ἐγκλείω, Ion. ἐγκληίω, aor. ἐνέκλεισα, opt. ἐγκληίσειε, ptc. ἐγκλῄσας; aor. pass. ἐνεκλείσθην; perf. ἐγκέκλεικα, perf. pass. ἐγκέκλειμαι, plqperf. ἐγκέκλειστο 1. act. sluiten; opsluiten: τὰς πύλας ἐ. de poorten sluiten Hdt. 4.78.4; ἐκ φόβου του γλῶσσαν ἐγκλῄσας ἔχει vanwege een bepaalde angst houdt hij zijn mond gesloten Soph. Ant. 180; pass.: δόμοις ἦν ... ἐγκεκλῃμένον καλῶς het was veilig in huis opgeborgen Soph. Tr. 579. 2. med. zich insluiten, zich (erin) opsluiten: ἐγκλεισάμενοι ἡσυχίαν εἶχον toen zij zich binnen opgesloten hadden, hielden zij zich rustig Xen. Hell. 6.5.9.